Studeren mét

Anne-Huizinga • 27 August 2018
anne.jpg

Rechten studeren in Maastricht, dát was mijn droom. En dromen zijn ervoor om waar te maken, ook wanneer je diabetes hebt. Zo gezegd, zo gedaan. Op m’n achttiende verliet ik mijn ouderlijk huis in Groningen en vertrok in m’n uppie naar Maastricht. In de INKOM (de Maastrichtse introductieweek) kwam er een horde aan alcohol, studentenverenigingen en disputen op mij af. Ik had al vrij snel door dat dit misschien niet helemaal bij mij zou passen en ik besloot me eerst te focussen op mijn studie.

In de eerste weken begon het toch te knagen. Uitspraken als ‘wanneer je 30 bent kijk je terug op je studententijd als de mooiste tijd van je leven’ en de studieadviseur die me duidelijk maakte dat ik ‘een schaap met vijf poten moest worden’ (lees: alleen goede cijfers zijn niet genoeg), zetten mij aan het denken. Ik realiseerde me maar al te goed dat dit niet ging gebeuren als ik alleen achter m’n bureautje bleef zitten en af en toe de Rechtenfaculteit bezocht. Dit leidde ertoe dat ik mij uiteindelijk toch aanmeldde bij een vereniging: een kleine christelijke studentenvereniging.

Het eerste jaar ging het mij prima af, ik ging naar de avonden toe van de vereniging, deed twee commissies en had daarnaast ook plezier in mijn studie. Het lukte mij goed mijn grenzen aan te geven en ik was dan ook zeker niet de fanatiekste borrelaar. In het tweede jaar besloot ik dat het toch tijd werd om er nog net iets meer uit te gaan halen. Ik bleef ’s avonds borrelen en toen ik gevraagd werd voor het bestuur zei ik uiteraard geen nee.

Tot mijn grote verbazing ging het geweldig: veel buiten de deur eten, vergaderingen tot midden in de nacht, mijn tentamens haalde ik gewoon, ik voldeed al mijn sociale verplichtingen en tot slot droeg ik ook nog eens 24/7 zorg voor mijn diabetes. Wat ik vergat was dat ik het ene griepje na het andere griepje had, de ene blaasontsteking na de andere en de ene antibioticakuur na de andere. 

Tot het moment dat ik op die ene dinsdagmiddag even alleen was op mijn kamer. Huilend zakte ik in elkaar op de grond, ik kon niet meer. Mijn lijf was op. Mijn hoofd was vol. Ik, die dacht volop te kunnen studeren, volop te kunnen werken aan een beleid voor een bestuursjaar én volop te kunnen zorgen voor mijn diabetes, kon niet meer.

Er volgden een paar maanden waarin ik meer sliep dan leefde en eigenlijk weer volledig afhankelijk was van mijn ouders. Eén ding wist ik zeker: dit moet anders. Ik wil niet langer leven naar het idee ‘wanneer ik 30 ben moet ik terugkijken op mijn studententijd als de mooiste tijd van m’n leven’. Want de mooiste tijd van je leven is niet op je tenen rennen, iedereen te vriend proberen te houden, rondlopen in een lijf dat schreeuwt om rust en vervolgens zo door blijven rennen dat zelfs je hoofd uitgeput raakt. Nee, zo wil ik op m’n 30e niet terugkijken op m’n studententijd. Ik wil terugkijken op een tijd waarin Anne, Anne is. Gewoon Anne.

Er volgde een traject bij een diabetespsycholoog. Waarin ik ‘nee’ leerde zeggen, leerde luisteren naar mijn lichaam en leerde dingen te doen waar ik blij van word. Maar het allermooiste wat ik leerde was dat ik mag zijn wie ik ben: ik ben Anne, ik studeer rechten, ik loop graag in de natuur, ik ben graag bezig met ‘diabetes-fijne’ recepten uitproberen, ik zorg graag goed voor mijn lichaam en ’s avonds neem ik rust.