Vaccin diabetes type 1 stapje dichterbij.jpg

Vaak nog wat eigen resterende bètacellen over – hoe zit dat

Bij mensen met diabetes type 1 worden vaak niet alle insulineproducerende cellen (bètacellen) vernield door het afweersysteem. Soms worden ze alleen uitgeschakeld. Hoe kunnen we deze resterende ‘slapende’ cellen zien, en kunnen we ze in de toekomst activeren?

Tot voor kort was het idee dat de afweer een fout maakt, waardoor diabetes type 1 ontstaat. Maar nu weten we dat het waarschijnlijk begint in de eilandjes van Langerhans, waarin de bètacellen zitten. De bètacellen kunnen gestrest raken, en geven dan zelf signalen af waardoor de afweer ze aanvalt. Maar meestal gaan niet alle bètacellen dood, is ook gebleken.

Hoe kunnen sommige bètacellen overleven?

Het gaat dus mis wanneer bètacellen celstress krijgen, en het afweersysteem alarmeren dat vervolgens op ze af komt. Maar er zijn nog vraagtekens over wat er vervolgens gebeurt. Want soms ontsnappen cellen dus aan de aanval. Maar hoe? Er zijn waarschijnlijk verschillende manieren:

  • De bètacellen gaan in een ‘slaapstand’, ze zetten zichzelf uit.
  • De bètacellen verstoppen zich, door te veranderen in een ander type cel.
  • De bètacellen veranderen in een soort zombiecellen, die gevaarlijk zijn voor hun omgeving.

Hoe weten we dat er soms nog bètacellen over zijn?

Wetenschappers weten dat veel mensen met diabetes type 1 nog werkende of half werkende bètacellen hebben, maar die cellen laten zich niet makkelijk opsporen. De cellen werden voor het eerst ontdekt bij het bestuderen van alvleesklieren van de nPOD biobank. Verdere bewijzen waren indirect en kwamen van C-peptide en pro-insuline.

Bewijs van C-peptide

Bij het maken van insuline is de laatste stap dat pro-insuline splitst in insuline en C-peptide. Door te meten hoeveel C-peptide mensen met diabetes type 1 hebben, kun je iets zeggen over hoeveel insuline zij nog maken. Vijf jaar na de diagnose heeft 11 procent van de mensen nog meetbare C-peptide.

Nieuw bewijs van pro-insuline

C-peptide zegt dus iets over de aanmaak van insuline door resterende bètacellen. Maar wie geen C-peptide meer maakt, kan nog wel pro-insuline maken. Dan is de insuline gewoon nog nét niet af, maar wel bijna. Bij bijna iedereen met diabetes type 1 is wel pro-insuline te meten na de maaltijd. Dat zegt dus ook iets over de resterende bètacellen.

Sommige onderzoekers, zoals dr. Françoise Carlotti van het LUMC, vermoeden zelfs dat er nog veel meer bètacellen zijn maar dat zij zich hebben aangepast om onzichtbaar te zijn voor de afweer. Zij is hier een groot onderzoek naar gestart, gefinancierd door het Diabetes Fonds en stichting DON.

Hoelang leven de resterende cellen, en blijven ze insuline maken?

Zelfs na tien jaar maakt bijna de helft van de mensen met diabetes type 1 nog wat insuline volgens onderzoek in Zweden, de andere helft niet. Engelse onderzoekers vonden net iets anders. Zij ontdekten een omslagpunt in de insulineproductie na 7 jaar diabetes type 1. Daarvoor daalt de insulineproductie ieder jaar met ongeveer 50 procent. Maar na zeven jaar stopt deze daling en stabiliseert de insulineproductie. Waarschijnlijk blijven er dus cellen over die bestand zijn tegen de afweer.

In ieder geval maken dus enkele bètacellen bij sommige mensen een tijdje nog steeds (een beetje) insuline. Britse onderzoekers denken dat het restje insulineproducerende cellen zou kunnen verklaren waarom sommige mensen met diabetes type 1 na het sporten meer worstelen met hun bloedsuikers dan anderen.

Zijn resterende bètacellen zichtbaar met een scan?

Om overgebleven bètacellen te ‘zien’ heb je een stofje nodig dat aan bètacellen plakt en oplicht onder een PET- of SPECT-scanner. Zo’n stofje heet een tracer. Dat is niet eenvoudig, want vaak blijken de stofjes ook aan andere cellen te plakken. Daarnaast zijn er nog meer uitdagingen. Drie belangrijke onderzoeken:

Het eiwit exendin

Onderzoekers prof. Martin Gotthardt en dr. Maarten Brom van het Radboudumc ontdekten dat het eiwit exendin specifiek bindt aan bètacellen. Daar maakten ze een label aan vast: een stofje dat licht radioactief is. Op de scan lichtten dan de bètacellen op. Handig bij eilandjestransplantaties en om resterende bètacellen zichtbaar te maken.

De mangaan-methode

Amerikaanse onderzoekers hebben ook een nieuwe meetmethode bedacht, waarbij ze gebruikmaken van radioactief mangaan. Dit stofje hoopt zich alleen op in bètacellen die insuline maken, en is meetbaar met een PET-scan. Deze techniek kan misschien straks ook in combinatie met de vorige worden gebruikt.

Betere tracer: PHNO

Een betere tracer maakt de cellen nog beter zichtbaar. De achtergrondruis vermindert en het beeld wordt duidelijker. Het enige nadeel is dat andere cellen in de alvleesklier de tracer ook op zich kunnen krijgen. Dan zou je het aantal bètacellen overschatten.

Waarom is het belangrijk om bètacellen op te sporen?

Onderzoekers hebben meerdere redenen om bètacellen in beeld te brengen. Redenen die allemaal bijdragen aan genezing. Dit zijn de belangrijkste:

  • Meer weten over hoe diabetes werkt. Bij onderzoek aan alvleesklieren van overleden donoren weet je alleen hoeveel bètacellen er zijn op één bepaald moment. Kun je de bètacellen zichtbaar maken in het lichaam, dan kun je ze over langere tijd volgen.
  • Het effect van immuuntherapie meten. Kun je de bètacellen zien, dat kun je goed bekijken of een immuuntherapie (bijsturen van de afweer) werkt. Door immuuntherapie blijven er meer bètacellen werken.
  • Behandeling op maat ontwikkelen. Diabetes type 1 is bij iedereen anders. Het liefst wil je kunnen voorspellen welke behandeling bij wie gaat werken.
  • Diabetes type 1 voorkomen. Misschien is bij mensen met een verhoogde kans op diabetes type 1 al iets te zien aan de bètacellen. Dat maakt het mogelijk om tijdig in te grijpen zodra hier een behandeling voor ontwikkeld is.
  • Bètacellen activeren. Cellen die zich schuilhouden en niet meer werken, wil je weer aan de praat krijgen. Ook dan moet je die cellen kunnen volgen over een langere periode.

Kunnen we slapende bètacellen weer activeren, wakker maken?

Met diabetes type 1 heb je dus waarschijnlijk nog bètacellen over. Maar die zijn uitgeschakeld en werken niet naar behoren. Onderzoekers willen die cellen weer aan de praat krijgen, zodat ze weer insuline gaan maken.

Dr. Arnoud Zaldumbide van het LUMC gaat met zijn team op zoek naar middelen om gestreste cellen te ontstressen, zodat het afweersysteem ze met rust laat. Dit onderzoek wordt gefinancierd door het Diabetes Fonds en stichting DON. Ook kijken onderzoekers naar manieren om de insulineproductie weer op gang te brengen. Amerikaanse onderzoekers kwamen erachter dat een bepaald gen betrokken is bij de productie van insuline.

We zijn helaas nu nog niet zover dat we ‘slapende’ insulineproducerende cellen weer aan de praat krijgen. Maar het opsporen van bètacellen is een belangrijke stap hierin!

Op de hoogte blijven?

Ontvang regelmatig nieuws over diabetes type 1 per e-mail, met alleen artikelen die voor jou interessant zijn. Maak eenvoudig in 1 minuut een account aan en geef je interesses aan!


Gesprekken over dit artikel (0)


Start gesprek

Gerelateerde bibliotheekartikelen